Maak steeds een verslag van de afgelegde stappen in de begeleiding. Dit kan in het sociaal dossier, of aan de hand van het handelingsprotocol voor de asielsector.

Begeleiding van een pleger 

Een pleger is in deze context een persoon die over de grens ging. Een pleger kan tegelijkertijd ook slachtoffer zijn indien er ook over de eigen grens gegaan werd. 

De term ‘pleger’ geeft echter vaak een zware bijklank. In het geval van licht grensoverschrijdend gedrag benoem je best de naam van de persoon (of initialen indien men de privacy dient te bewaren) of ‘de persoon die over de grens ging’.  

In de begeleiding van plegers ligt de focus niet op het sanctionerende maar vertrekken we vanuit de nood aan het leren van kennis en/of vaardigheden om in de toekomst gepaster om te gaan met gelijkaardige situaties.  

Mogelijke leernoden kunnen zijn: 

  • Eigen grenzen leren aangeven 
  • Grenzen van een ander leren herkennen 
  • Wensen van een ander bevragen 
  • Communicatie over eigen wensen 
  • Weerbaar leren opstellen tegen groepsdruk 

Als begeleider kan je zoekende zijn om iemand hierin te begeleiden. Maak zeker gebruik van de wegwijzer indien het nodig is extern door te verwijzen (link naar …). Houd er echter rekening mee dat niet elke dienst expertise heeft in het werken met nieuwkomers.  

Elke persoon die over een grens gegaan is, van licht tot ernstig grensoverschrijdend gedrag, is gebaat bij enkele sessies psycho-educatie, die taak kan je als begeleider in het opvangcentrum opnemen.  

Op deze pagina's vind je enkele suggesties voor psycho-educatieve oefeningen met kinderen, jongeren en volwassenen.

Begeleiding van een pleger in drie stappen 

Afhankelijk van de beschikbare tijd en middelen, kan je verschillende sessies inplannen.

Een mogelijke opbouw:  

  • In de eerste sessie praat je over het verschil tussen oké en niet-oké gedrag aan de hand van enkele situatiekaarten en de zes criteria van het vlaggensysteem.  
  • In de tweede sessie behandel je het aangeven en herkennen van grenzen aan de hand van enkele praktische oefeningen.  
  • Ten slotte kijk je samen naar de toekomst en naar welke activiteiten of dagbesteding positief gedrag kunnen versterken. Hierbij kan het helpen na te gaan welke behoeften (plezier, genot, rust, liefde…) de persoon op welke manier kan vervullen. Op deze manier zal de persoon in de toekomst minder gefocust zijn op die behoefte(n) die leidde tot het stellen van het grensoverschrijdend gedrag.  

Indien je minder tijd  ter beschikking hebt, kan je ook enkele oefeningen afzonderlijk gebruiken. 

Begeleiding van een slachtoffer 

Een slachtoffer is de persoon wiens grens werd overschreden.  

Als begeleider kan je zoekende zijn om iemand hierin te begeleiden. Maak zeker gebruik van een wegwijzer indien het nodig is extern door te verwijzen. Houd er echter rekening mee dat niet elke dienst expertise heeft in het werken met nieuwkomers.  

Elke persoon wiens grens werd overschreden, van licht tot ernstig grensoverschrijdend gedrag, is gebaat bij een gesprek. Die taak kan je als begeleider in het opvangcentrum opnemen.  

In gesprekken met slachtoffers staat het bieden van een luisterend oor centraal. 

Start niet meteen met het op tafel leggen van een oplossing of aanbod, maar laat vooral de bewoner zelf vertellen.  

Volgende vragen kunnen je helpen om het gesprek richting te geven:  

  • Kan je mij vertellen wat er toen net gebeurde? 
  • Wat vind jij daarvan? 
  • Wat doet dat met jou? 
  • Hoe ga je daarmee om? 
  • Waar maak jij je zorgen om? 
  • Hoe denk je dat de andere(n) zich daarbij voelde(n)? 
  • Kan je bij iemand terecht? Kan je dit met iemand bespreken?  
  • Wat heb je nodig opdat dit niet meer voorvalt? 
  • Heb je verwachtingen vanuit het centrum? Van ons als begeleiding?  

Begeleiding van een omstaander 

Een getuige heeft het incident gezien, maar is niet inhoudelijk betrokken, ook niet bij de aanleiding of oorzaak ervan.  

Bij een incident wordt er vaak met getuigen gesproken opdat begeleiding een goed beeld krijgt op het gebeurde. Dit gesprek beperkt zich vaak tot het bevragen van de feiten.  

Het is aangewezen na het voorval nog een keer in gesprek te gaan met de getuige waarbij je polst naar de impact van het gebeurde op de getuige.  

Herhaal na ongeveer twee tot drie weken dit gesprek, waarbij je opnieuw peilt naar de impact van het gebeurde. Uit onderzoek naar trauma blijkt dat het na twee tot drie weken opnieuw bespreekbaar maken van het grensoverschrijdend gedrag, helpt om het gebeurde te werken.  

Volgende vragen kan je stellen in het gesprek:  

  • Ik hoorde dat je getuige was van het incident, klopt dit?  
  • Heb je hierover met iemand gesproken?  
  • Is het oké dat ik even met jou hierover spreek?  
  • Kan je me vertellen wat je zag?  
  • Hoe voel je je daar bij?  
  • Welke gevoelens maakte dit bij jou los?  
  • Wat zijn jouw ideeën hierover?  
  • Zijn er zaken waar je je zorgen over maakt?  
  • Heb je verwachtingen van het centrum, van ons als begeleiding?