Veroordeel niet de betrokkene, maar wel het gestelde gedrag

Hou hierbij steeds in het achterhoofd dat een persoon en het gedrag dat een persoon stelt twee verschillende zaken zijn. Zorg ervoor dat dit verschil duidelijk is in de wijze waarop je de betrokkene aanspreekt.

Spreek dus niet in termen van Jij bent stout.”, maar wel “Wat jij gedaan hebt (met X) kan absoluut niet, omdat…”

Spreek de jongere aan vanuit een ontwikkelingsperspectief

Spreek de betrokkene aan vanuit een ontwikkelingsperspectief: men is nog in volle ontwikkeling en is zoekende, waarbij die in de zoektocht experimenteert, daarin grenzen kan overschrijden en dus bijsturing nodig heeft.

Het is niet de bedoeling dat de betrokkene samenvalt met een eventuele problematiek, of het stigma ‘dader’ als identiteit zou gaan internaliseren.

Zeker als je werkt met jongeren, is het belangrijk te benoemen dat de jongere geen pleger is, maar (seksueel) grensoverschrijdend gedrag heeft gesteld en hierin zal bijgestuurd worden. 

Leg uit waarom de betrokkene het gedrag niet meer mag vertonen

Belangrijk is dat je steeds uitlegt waarom de betrokkene het gedrag niet meer mag vertonen.

Help inzicht te geven in de gevolgen van het grensoverschrijdende gedrag. Je kan niet van iedere betrokkene verwachten dat dit inzicht er spontaan is.

Soms zijn ze nog zeer gebonden aan hun eigen beleving en perspectief en kunnen ze zich niet steeds goed verplaatsen in een ander. Daarom hebben ze er baat bij om geholpen te worden om samen met een begeleider deze denkoefening te maken.  

De zinvolheid van straffen

Indien dit aangewezen zou zijn, kan je consequenties aan het verbod verbinden, in de vorm van een waarschuwing. Zeg bijvoorbeeld bij jongeren: “Als dit nog een keer gebeurt, mag je een week niet meer op de PlayStation spelen.”

Zeker bij zeer ernstig grensoverschrijdend gedrag (zwarte vlag-incidenten) is het nodig om in te grijpen in de situatie door de betrokkene te straffen of andere maatregelen te nemen die trachten te voorkomen dat het gedrag nog eens zou voorvallen.  

Hierbij is het steeds belangrijk om aan de betrokkene uit te leggen waarom deze een waarschuwing of straf krijgt. Zonder uitleg kan de betrokkene zich immers onrechtvaardig behandeld voelen en krijgt die geen inzicht in het gedrag en de gevolgen ervan.

Om inzicht te verwerven heb je informatie nodig om te begrijpen waarom iets grensoverschrijdend is.  

Het geven van een waarschuwing of een sanctie heeft onder meer als doel om aan het slachtoffer het signaal te geven dat het helemaal niet oké is wat die persoon is overkomen. Het geeft erkenning.

Het doel voor de pleger is om ongepast gedrag af te leren en te voorkomen dat de betrokkene dit gedrag nog eens zou stellen. Het is dus van belang om de sanctie zorgvuldig uit te kiezen zodat de betrokkene er een leereffect van ondervindt.  

Voor een effectieve, zinvolle bestraffing zijn volgende voorwaarden belangrijk: 

    1. De straf staat in verhouding tot het grensoverschrijdend gedrag dat de betrokkene heeft gesteld en wat nodig is om de betrokkene tot inzicht te brengen

    Een eerste criterium is dat je ervoor moet zorgen dat de straf in verhouding staat tot het grensoverschrijdende gedrag dat de betrokkene heeft gesteld, en wat nodig is om tot inzicht te komen.

    Zo zou een te lichte straf het grensoverschrijdende gedrag niet voldoende onderdrukken.

    Een te zware straf kan dan mogelijks weer leiden tot kwaadheid/frustratie en verdere escalatie van het gedrag, of tot een extreem schuldgevoel waardoor de betrokkene (zelf)destructief gedrag kan stellen.

    2. De straf volgt zo snel mogelijk op het ongewenste gedrag

    Ten tweede is het belangrijk om de straf zo snel mogelijk op het ongewenste gedrag te laten volgen.

    Het is de bedoeling dat de betrokkene de straf associeert met het negatieve gedrag om hieruit te kunnen leren. Indien er te veel tijd tussen het ongewenste gedrag en de sanctie zit, bemoeilijkt dit het leerproces.

    3. De straf wordt consequent toegepast

    Straffen consequent toepassen is een derde voorwaarde. Als je een straf uitspreekt, moet je dit ook effectief laten doorgaan. Anders verlies je jouw geloofwaardigheid.

    Een straf die maar gedeeltelijk (of niet na elke aanleiding) wordt uitgevoerd, bereikt veel minder of zelfs geen effect.

    4. De straf wordt niet geassocieerd met een beloning

    Een volgende voorwaarde houdt in dat de straf niet geassocieerd mag worden met een beloning.

    Sommige straffen zouden – onbedoeld – een beloning kunnen zijn. Bijvoorbeeld: door de pleger op time-out te plaatsen, krijgt deze misschien de rust waar hij op uit is.

    5. De straf is eindig

    Ten slotte is het belangrijk dat aan elke straf een einde komt. Geef de betrokkene na de straf terug kansen. Blijf ondanks de negatieve ervaring(en) uit het verleden geloven in diens mogelijkheden en groeikansen.

    Maak duidelijk aan de betrokkene dat je opnieuw vertrouwen geeft. Beloon het goede gedrag.

    Dit geeft veel meer garantie dat de betrokkene niet opnieuw in ongewenst gedrag vervalt.  

    Populaire straffen zijn bijvoorbeeld

    • extra taken opdragen (die niet leuk zijn)
    • privileges afnemen (iets wat ze leuk vinden, bijvoorbeeld een favoriet televisieprogramma)
    • opvoedende straffen (inzicht krijgen in het waarom van bepaalde regels of in het effect van de grensoverschrijding). 

    De zinvolheid van straffen bij jongeren met een verstandelijke beperking en/of lage emotionele ontwikkelingsleeftijd

    Een straf kan een hulpmiddel zijn om plegers te leren om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen gedrag. Maar hiervoor is inzicht vereist.

    Personen met een verstandelijke beperking beschikken niet steeds over voldoende leerbaarheid, waardoor er niet standaard kan en mag verwacht worden dat een straf verandering zal teweegbrengen en zal voorkomen dat ze hetzelfde gedrag opnieuw zullen stellen.

    Omdat deze personen ook vaak moeilijkheden ondervinden op vlak van emotioneel functioneren, kan ook een achterstand op vlak van morele ontwikkeling, het zich kunnen inleven in een ander en aanpassingsvermogen het effect van bestraffing verder tenietdoen. 

    Net omwille van deze moeilijkheden worden straffen vaak als niet zinvol ervaren om het (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van personen met een beperking te corrigeren en zal de omgeving ook op een andere manier reageren.

    Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat veiligheid enkel geïnstalleerd kan worden doordat er vanuit de omgeving voldoende controle en toezicht is ingebouwd, en dat een mogelijke risicosituatie vermeden of opgelost kan worden door de persoon uit de situatie te halen, af te leiden en/of te begrenzen.  

    Dit 'milder' reageren op (seksueel) grensoverschrijdend gedrag kan indruisen tegen ons gevoel van rechtvaardigheid.

    Het voelt anders wanneer iemand gestraft wordt voor gedrag, dan wanneer die persoon door anderen ondersteund moet worden om nieuw grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.

    Toch betekent deze aanpak niét dat een (verstandelijke) beperking een excuus of verontschuldiging is voor grensoverschrijdend gedrag.

    Een (verstandelijke) beperking kan de reactiewijze op grensoverschrijdend gedrag beïnvloeden, maar dit betekent niet dat de ernst van het grensoverschrijdend gedrag afgezwakt wordt.

    Voor een slachtoffer maakt het met andere woorden niet uit of die slachtoffer werd van grensoverschrijdend gedrag gesteld door iemand mét of zonder verstandelijke beperking, en zal de impact van het gedrag even groot zijn.

    Om op een effectieve manier grensoverschrijdend gedrag aan te pakken, is het dus belangrijk om de reactiewijze af te stemmen op de verstandelijke én emotionele mogelijkheden van de betrokkene.