Ontwikkelingstaken

  • zich hechten
  • vertrouwensband opbouwen
  • exploreren of verkennen
  • dingen leren, onder de knie krijgen

Kenmerkend gedrag

  • Voedsel weigeren of uitspugen, knoeien met eten, spugen en bijten.
  • Graaien, zich vastklampen, vallen, omgooien, vernielen, smeren en kliederen.
  • Hoofdbonzen -> let op voor letsels! 
  • Lachen, huilen, geluidjes herhalen, brabbelen en één-woord-zinnen.  
  • ‘Kleven’ of klampen, zich afwenden van derden, nachtelijke angsten, paniek en apathie bij scheiding.

Sociaal-emotioneel functioneren

  • Vanaf 6 à 7 maanden duikt (verlatings)angst op. 
  • Kan nog overspoeld worden door verschillende situaties.  
  • Maakt nog geen onderscheid tussen zichzelf en de ander. De verzorger functioneert als een soort verlengstuk van zichzelf.  
  • Kan na 1 jaar meer complexe emoties tonen, bijvoorbeeld: verachting, schaamte, verlegenheid en schuld. 
  • Vanaf 10 à 12 maanden krijgt de emotionele expressie een socialere rol en krijgt die een belangrijke functie in het organiseren van gedrag. De eenjarige beoordeelt de betekenis van gebeurtenissen door de emotionele reacties van zijn zorgfiguren op hem. De baby neemt de gelaatsuitdrukking van verzorgingsfiguren als parameter voor het al dan niet stellen van bepaald gedrag.  
  • Mits een warme hechtingsfiguur, ontdek het kind dat het contact met anderen veilig, lustvol en bevredigend kan zijn en dat het ook helpt bij de eigen stressregulatie. Geleidelijk aan zoekt hij zelf actief de nabijheid van de zorgfiguur op. 

Agressieregulatie

  • Uitlokkende factoren voor probleemgedrag of agressief gedrag zijn: het ervaren van frustratie in sociale situaties, intense emoties, onaangename sensorische prikkels (honger, pijn,....), maar ook onvoldoende nabijheid, veiligheid, rust of structuur.  
  • Het agressieve gedrag is nog ongecontroleerd en uit zich naar de directe omgeving: voorwerpen of personen die toevallig in de buurt zijn of naar zichzelf.  
  • Reageert vanuit frustratie of angst en handelt nog weinig doelgericht.

Morele ontwikkeling

  • Heeft nog geen geweten, normbesef, empathie of moreel bewustzijn.  
  • Begrijpt al wel de betekenis van het woordje “nee”, maar kan het nog niet uitvoeren. Dat betekent dat je nog geen verantwoordelijkheid bij het kind kan leggen voor zijn doen en laten. 
  • Fysieke aanwezigheid en de onmiddellijke goedkeuring of afkeuring van een bepaald gedrag door de ‘belangrijke andere’ bepaalt de regel en de gehoorzaamheid eraan.  
  • Het constant herhalen van regels is nodig. 

Betekenis probleemgedrag

Probleemgedrag kan je in deze fase begrijpen als angst of als testgedrag. 

Begeleiding(svraag)

Het kind vraagt in deze fase vooral: "Zie je mij staan?".

Zorg dat het kind een basis aan emotionele veiligheid en vertrouwen ervaart doordat je voorspelbaar bent.  

  • Blijf nabij en combineer het met structuur en grenzen. 
  • Stimuleer het om op onderzoek uit te gaan. Zorg wel dat je zichtbaar en beschikbaar blijft tijdens activiteiten. Cirkel rond het kind. 
  • Toon je beschikbaar en stem je houding af op wat het kind nodig heeft.  
  • Blijf rustig en neutraal als het kind grenzen overschrijdt. Boos worden of straffen helpen niet. Bied hulp en neem zelf de verantwoordelijkheid. Treed zelf op. Het is beter om het gedrag actief te veranderen door bijvoorbeeld  het kind uit de situatie te halen of de handeling te onderbreken.   

Wat als dit ontwikkelingsniveau pas op latere leeftijd bereikt wordt?

De relatie met belangrijke zorgfiguren staat centraal. Jouw nabijheid, structuur en begrenzing is cruciaal. Omdat de hechting en de vertrouwensrelatie nog volop in ontwikkeling zijn, kan je tijdens crisismomenten nog geen beroep doen op de vertrouwensrelatie. Zorg daarom dat je op een emotioneel neutrale manier begrenst en beveiligt. De betekenis van probleemgedrag kan je zien als zich angstig en (relationeel) onveilig voelen.  

  • Leg in de ondersteuning of begeleiding de nadruk op cirkelen. Als zorgfiguur hoef je niet meer continu beschikbaar te zijn. Maar je bent wel liefst aanwezig binnen het gehoor- of gezichtsveld. Voor het kind, de jongere of volwassene in deze fase is het belangrijk dat het duidelijk is wanneer jij als zorgfiguur beschikbaar bent, wanneer niet en wanneer terug. Bied perspectief. Knip de draad niet door.  
  • Op momenten van disregulatie en (dreigende) agressie is het belangrijk dat je vooral veiligheid biedt door zelf rustig en neutraal te blijven (eigen basisrust), de regel te herhalen en nabijheid te bieden.  
  • In deze fase is het kind, de jongere of de volwassene nog erg afhankelijk van jou om de situatie weer goed te maken; herstel lukt nog niet zelf.