Ontwikkelingstaken

  • Omgaan met leeftijdsgenootjes. 
  • Vaardigheden verwerven, dingen kunnen. 

Kenmerkend gedrag

  • Neemt initiatief. 
  • Vraagt hoe en waarom. 
  • Wil zijn zoals mama of papa. Identificeert zich met belangrijke anderen en gaat vergelijken: wat en hoe ben ik. 
  • Stelt nog veel druk en impulsief gedrag. Jongens doen dit opvallend meer dan meisjes.  
  • Kan er enorm veel plezier aan beleven om het ene vieze woord te laten volgen op het andere vieze woord, vooral wanneer de omgeving hier op reageert.  
  • Overziet de gevolgen van het eigen gedrag nog niet zo goed. 
  • Ruziet en rivaliseert met broertjes of zusjes. Trekt zich soms terug en vervalt soms terug naar afhankelijker gedrag. 
  • Eén à twee driftbuien per dag is normaal. 
  • Het is normaal dat een kind van deze leeftijd 20 tot 40% van de verzoeken niet gehoorzaamt. 

Emotioneel sociaal functioneren

  • Er ontstaat een verdere differentiatie in de emoties. Vanuit een groter zelfbesef ontwikkelt het kind nieuwe emoties als schaamte, schuld, verlegenheid en fierheid.  
  • Het begrip van emoties verbetert. Ze reageren gepaster op emotionele signalen van anderen. 
  • Ze begrijpen nog niet goed dat ze twee verschillende gevoelens tegelijk kunnen ervaren.  
  • Hun zelfbeeld en hun beeld van de ander krijgen vorm op basis van activiteiten en zichtbare kenmerken. Het zelfbeeld is nog weinig realistisch en in alles-of-niets-termen (zelf over-en onderschatting) en afhankelijk van de gevoelens op dat moment. 
  • Empathie ontluikt en dient als een motivator voor pro-sociaal, altruïstisch gedrag. 
  • Eerste vriendjes. 

Agressieregulatie

  • Stelt net als een peuter nog agressief gedrag vanuit frustratie. Het gebeurt wel steeds vaker vanuit teleurstelling. En steeds meer met een duidelijk doel voor ogen.  
  • De geuite agressie is vaak gecontroleerd. Het agressieve gedrag is gericht naar diegene die de frustratie veroorzaakt, naar materiaal en naar andere kinderen. Zeker tegenover leeftijdsgenoten komt agressief gedrag nog vaak voor. Zeker bij jongens.  
  • Doorheen de ontwikkeling neemt de fysieke agressie stilaan af terwijl de verbale agressie toeneemt.  
  • Toont een beginnend uitstel van behoeftebevrediging, waardoor agressief gedrag stilaan afneemt. Na 4,5 jaar vergroot de frustratietolerantie.  
  • Heeft geleidelijk aan meer tools om situaties op andere manieren op te lossen dan met agressie. Kinderen stellen meer en meer een vraag als ze iets willen. Of ze zeggen het als ze het vervelend vinden. Als emoties hoog oplopen, valt een kind van deze leeftijd nog snel terug in oude gewoontes. 
  • Na een incident kan de kleuter met ondersteuning spreken over oorzaak en gevolg van agressief gedrag, over wat wel en niet getolereerd is.  
  • Begint minder passieve ongehoorzaamheid, minder rebellie en meer assertiviteit en onderhandeling te vertonen als hij of zij niet wil voldoen aan een verzoek of gebod. 

Morele ontwikkeling

  • Overgang van extern geweten naar intern geweten.  
  • Er is een groeiend besef van regels en normen (vaak nog heel zwart/wit), empathie en intrinsieke motivatie.  
  • Het waarom van de regel wordt belangrijk. Hij vraagt er ook zelf naar.  
  • Houd zich in toenemende mate aan deze regeltjes, ook als de volwassene niet in de buurt is.  

Betekenis probleemgedrag

Probleemgedrag kan je in deze fase begrijpen als ‘doelgericht proberen vasthouden’.  

Begeleiding(svraag)

Het kind vraagt in deze fase vooral: "Kijk wat ik kan. Ben je trots?"

  • Stimuleer initiatief, verantwoordelijkheid (op basis van succeservaringen) en identiteitsvorming.  
  • Doe zelf gewenst gedrag voor. Stimuleer tot zelf doen en zelf oplossingen bedenken. 
  • Aanwezigheid, begeleiding en correcties blijven nodig.  
  • Houd de regels aan en duid het waarom ervan.  
  • De impulsiviteit kan je in het begin van deze fase met wat afleiding op een ander spoor brengen. Naarmate de fase vordert, wordt uitleg steeds belangrijker.  

Zie ongehoorzaamheid als een bron van informatie in plaats van het onmiddellijk de kop in te drukken. Vaak is ongehoorzaamheid een uiting van gebrekkige mogelijkheden om vrijwillig te functioneren.

Het kind voelt zich (van buitenaf of van binnen uit) onder druk gezet om iets te doen. De ongehoorzaamheid is een compensatiestrategie om met die druk om te gaan.

Ga na welke behoeften precies gefrustreerd worden en hoe je hiermee in de toekomst rekening kan houden.  

Wat als dit ontwikkelingsniveau pas op latere leeftijd bereikt wordt?

Kinderen, jongeren of volwassenen in deze fase groeien naar een grotere zelfredzaamheid en hechten hierbij veel belang aan het oordeel van anderen.

Ze gaan actief op zoek naar het antwoord op de vraag ‘wat kan ik’ en zoeken daarbij positieve bevestiging. Hun leefwereld verruimt.

Ze ontwikkelen een beginnend geïnternaliseerd geweten, een groeiend realiteitsbesef, een beginnend aanvoelen van emoties bij anderen, een beginnend overzien en afwegen van consequenties van het eigen gedrag. 

De impulscontrole en de gewetensvorming blijven beperkt. Woede en agressief gedrag komen nog frequent voor.

Het aftasten van grenzen gaat in deze ontwikkelingsfase niet meer zozeer over de grenzen zelf (wat mag, wat kan), maar wel over de inhoud van de regels. Over de grens gaan, al dan niet gepaard met agressief gedrag, gebeurt vaak nog vanuit een impulsieve reactie, uitgelokt door boosheid, verdriet, conflict met autoriteit of gangbare regels, of het gevoel benadeeld te worden.

Ze denken wel na over hun gedrag, maar niet altijd en soms te laat. Ze denken nog zwart-wit en de grens tussen fantasie en werkelijkheid is nog zeer onscherp.

Personen in deze ontwikkelingsfase willen het ‘waarom’ van regels kennen en zijn ook geholpen wanneer ze hierover duidelijke uitleg krijgen.

Er komt meer ruimte voor en behoefte aan duiding en onderhandeling. Veelvuldig herhalen en benoemen van grenzen en het waarom van de gemaakte afspraken blijft nodig.

Bij wie zich meer naar het einde van deze fase bevindt, is een beginnende empathie mogelijk. Ze tonen beginnend spijt, maar dit vaak nog via aangeleerd gedrag.

De betekenis van ‘probleemgedrag kan je hier zien als ‘doelgericht proberen vasthouden’

  • Stimuleer actie en initiatief door een uitnodigend en stimulerend klimaat te creëren. En door zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te geven waar het kan, zeker bij vertrouwde zaken.  
  • Doe dingen voor, wees een voorbeeld en toon zelf het gewenste gedrag.  
  • Stel warm en nieuwsgierig opvoedingsgedrag. Nodig hem uit om zijn mening te geven en mee te reflecteren over de situatie en om zijn emoties te uiten.  
  • Geef positieve feedback en zorg voor positieve disciplinering. Dit wil zeggen discipline realiseren door in een warme, aangename sfeer op een consequente wijze het gewenste gedrag aan te moedigen en zuinig om te gaan met straffen.  
  • Houd de regels en grenzen aan en blijf het waarom ervan duiden 

Hoe ga je om met driftbuien?

Bron: