Ontwikkelingstaken

  • impulsen leren hanteren
  • sekserol leren kennen
  • identificatie
  • exploreren en verkennen
  • dingen leren, onder de knie krijgen
  • zelfstandigheid, autonomie, ik-ontwikkeling

Kenmerkend gedrag

  • Krijgt een eigen wil, ontdekt het woord "nee" en het woord "ik", wil alles zelf doen.  
  • Gaat op ontdekking en traint zijn onafhankelijkheid. Hij creëert afstand, fysiek en psychologisch. Tegelijk wil hij nog steeds de volwassene op een afstandje in het zicht.  
  • Gebruikt tweewoordzinnen en geleidelijk meerwoordzinnen.  
  • Stelt claimgedrag en dwingend gedrag.
  • Stelt druk en impulsief gedrag.
  • Koppigheid, niet gehoorzamen, machtsstrijd, driftbuien en grenzen testen komt voor. 
  • Twee à drie driftbuien per dag is normaal.
  • Toont beginnende interesse voor leeftijdsgenootjes en andere kinderen. 

Sociaal-emotioneel functioneren

  • Ontdekt dat hij een eigen persoon is met een eigen wil.  
  • Begint zijn grenzen en wil aan te geven. Zegt verbaal "nee". 
  • Rond twee à drie jaar ontluiken het zelfbewustzijn en het voorstellingsvermogen. Nu komen zelfbewuste emoties, zoals schaamte, schuld, verlegenheid en trots voor.  
  • Toont angst als hij dingen niet kan. Soms is er weer sprake van hevige scheidingsangst en nachtmerries.
  • Peuters blijven de gezichten en emotionele expressie van zorgfiguren scannen om aanwijzingen te krijgen over de betekenis van gebeurtenissen en om hun eigen interne ervaringen te interpreteren.  
  • Zoekt de nabijheid op van andere kinderen. Van samenspel is nog geen sprake.  
  • Ontluikende empathie.

Agressieregulatie

  • In deze fase is het soms moeilijk om agressief gedrag te onderscheiden van onhandige peutermotoriek of van de ‘collateral damage’ die het gevolg is van onderzoekend peutergedrag.  
  • Peuters en jonge kleuters stellen de hoogste frequentie van agressief gedrag. Onderzoek toont aan dat de helft van de interacties met leeftijdgenoten tijdens deze fase als agressief kan worden beschouwd: fysiek pijn doen (duwen, bijten, slaan en schoppen), speelgoed afnemen, … Ook bijten en woede-uitbarstingen of driftbuien kennen een piek. Twee à drie woedebuien per dag blijken normaal.    
  • Agressief gedrag wordt vooral uitgelokt als de eigen wil wordt ingeperkt. Tijdens deze fase spreekt men ook van de van de ‘peuterpubertijd’, ‘koppigheidsfase’ of de ‘nee-fase’.  
  • Soms wil de peuter jou net via agressief gedrag vertellen dat hij nood heeft aan meer contact en tijd met jou. Hij weet dat hij door je te bijten of te slaan zeker even jouw aandacht heeft. Dit gedrag komt soms ook voort uit jaloezie naar bijvoorbeeld een leeftijdsgenootje. Positieve een-op-een momentjes met belangrijke zorgfiguren blijven belangrijk.  
  • Naast agressief gedrag vanuit frustratie, hanteren peuters dit gedrag soms al doelgericht: om hun eigen wil door te drukken, om reactie uit te lokken. Agressie richt zich naar de persoon die de frustratie uitlokt, maar is nog niet gecontroleerd.  

Houd in deze fase voor ogen dat een kind van twee jaar nog niet nadenkt over wat hij doet. Hij uit zich meestal lichamelijk omdat hij zijn emoties nog niet (goed) kan verwoorden. Ook kan hij zich nog niet inleven in een ander. Hij begrijpt nog niet dat hij een ander pijn doet of iets doet wat gevaarlijk is.  

De peuter krijgt maar duidelijkheid over de grenzen door ze te overschrijden. Daarom blijft begrenzing noodzakelijk. Dat staat op gespannen voet met zijn drang naar autonomie en leidt tot confrontaties. Als de confrontaties tussen de explorerende peuter en de begrenzende opvoeder goed aflopen, groeit hij uit tot een gesocialiseerde kleuter die kan beschikken over zelfcontrole en zelfvertrouwen. 

Morele ontwikkeling

  • Kan moeilijk onthouden wat wel en niet mag. Leert dit in kleine stapjes.  
  • Als hij iets doet wat niet mag is dat vaak niet opzettelijk: de drang om het zelf te doen is sterker dan de wil van de opvoeder.  
  • Van een intern geweten is nog geen sprake, dus ook niet van schuldgevoel achteraf. Er is hooguit het besef dat hij iets verkeerds deed en dat ontdekt hij vooral door de reactie van de zorgfiguur.  
  • Geleidelijk aan ontwikkelt de peuter een extern geweten. Dat betekent dat hij normgedrag begint te stellen op voorwaarde dat en zolang er externe controle aanwezig is. Het gaat hier om externe motivatie, want de norm is nog niet geïnternaliseerd.  
  • Kinderen blijken wel al vroeg moreel gevoelig te zijn en een idee te hebben van wat rechtvaardig is en wat niet. Vijftig procent van de tweejarige peuters stelt al prosociaal  gedrag als ze getuige zijn van ongemak bij een ander.

Betekenis probleemgedrag

Probleemgedrag kan je in deze fase begrijpen als vechten voor autonomie.

Begeleiding(svraag)

Het kind vraagt in deze fase vooral: "Wat mag ik zelf bepalen?".

  • Stimuleer autonomie binnen duidelijke grenzen en een aangegeven structuur.
  • Hanteer grenzen en regels consequent.
  • Laat het kind experimenteren met zijn eigen kunnen via spel.
  • Bouw een vertrouwensrelatie op en houd die in stand door duidelijk, voorspelbaar en betrouwbaar te zijn en houvast te bieden.   
  • Roep geen verzet op door een handeling te vragen als je wil dat het gebeurt. Formuleer het dan eerder als iets wat je verwacht. Bijvoorbeeld: “Kom we gaan.” in plaats van “Ga je mee?” of “Kom, we gaan eten.” in plaats van “Kom je eten?”.  

Confronteer nog niet te veel met ongewenst gedrag. Daarvoor is een vertrouwensband nodig. Bovendien kan het kind zelf nog geen oplossingen of alternatieven bedenken. Doe dat samen. Hervat de activiteit rustig en op de gewenste manier. Geef gedoseerde verantwoordelijkheid. Benoem kort dat het niet mag en waarom niet: “Niet slaan, dat doet pijn”. Formuleer kort het alternatief: “Ga maar vragen of je het hebben mag.” en voer samen de handeling uit. 

Wat als dit ontwikkelingsniveau pas op latere leeftijd bereikt wordt?

Kinderen, jongeren en volwassenen in deze ontwikkelingsfase staan algemeen nog egocentrisch in het leven. Ze kunnen zich meestal nog weinig inleven in en afstemmen op de wensen en noden van de ander. Conflictsituaties draaien vaak rond dit beperkte inlevingsvermogen. De zorgfiguur moet niet enkel het concrete probleem oplossen, maar wordt daarnaast verondersteld om de onplezierige emoties weg te nemen.

Ze willen meer zaken zelfstandig ondernemen zonder de directe nabijheid van jou als zorgfiguur. Ze hebben een grotere behoefte aan autonomie. Wordt deze wens niet gerespecteerd dan ontstaat er frustratie en agressief gedrag. Hier is er de moeilijkheid van zelfoverschatting: ze willen zaken doen die zij nog niet zelf kunnen. 

Vanaf deze fase kunnen ze al wel iets doen of zeggen om een conflict af te ronden of te herstellen: sorry zeggen, hand schudden, tekening maken,... Het afronden van het conflict is voor hen op dat moment erg belangrijk. Maar ze kunnen zelf niet denken en praten over de oorzaken en gevolgen van hun eigen agressieve gedrag. Er is in deze ontwikkelingsfase een beperkte leerbaarheid. Een conflict dat ze nu afronden, staat los van wat er vijf minuten later gebeurt. 

De betekenis van ‘probleem’ gedrag kan je hier zien als ‘vechten voor autonomie’

Leg in de ondersteuning of begeleiding nadruk op ruimte geven aan het ‘eigen ik’ zonder te vervallen in een laisser-faire houding.  

  • Moedig aan tot experimenteren en begrens waar nodig. En laat tegelijk merken dat jij als zorgfiguur een veilige terugvalbasis bent waar hij emotioneel kan bijtanken.
  • Bied taken en activiteiten aan die binnen zijn mogelijkheden liggen en die toch voldoende uitdagend zijn. Geef mogelijkheden tot succeservaringen en tot gedoseerd mislukken, tot groei binnen gepaste grenzen.  

Zorg voor positieve en stimulerende feedback en begrenzing. 

Probeer agressief gedrag te voorkomen. 

  • Als je het ziet aankomen, zorg dan dat je het gedrag voor bent. Ga naar hem toe, geef aandacht en vertel hem hoe hij zich kan uiten of een situatie kan oplossen zonder te slaan, te bijten of te schoppen.
  • Als de activiteit steeds drukker wordt, grijp dan in voordat het ‘mis’ gaat. Ga meedoen of help om weer meer rust in de activiteit te brengen.
  • Kijk naar de uitzonderingen. Wanneer gaat het goed en lost hij iets op zonder agressie? Observeer en kijk wanneer het goed gaat, wat helpt dan? Geef zeker complimenten voor sociaal gedrag. Ook al lukt het nog niet volledig, zie dat hij het wel probeert en benoem dat. Probeer te omschrijven wat hij doet: “Je zegt nu stop, omdat je het niet leuk meer vindt, heel goed!”.
  • Besef dat het kind, de jongere of de volwassene het niet verkeerd bedoelt. Hij stelt agressief gedrag vanuit onmacht. Hij heeft nog niet genoeg vaardigheden om zich op een andere manier te uiten, waardoor hij slaat, bijt of duwt. Ook al bedoelt hij het niet verkeerd, toch is het belangrijk dat je hem leert dat slaan, schoppen of bijten niet mag. Geef duidelijke grenzen aan én leer hem daarnaast alternatieve vaardigheden aan om zijn behoeftes duidelijk te maken. Bijvoorbeeld door iets te vragen, uit te leggen, jou om hulp te vragen, zeggen hoe hij zich voelt, een oplossing te verzinnen, et cetera. Besef daarbij dat dit een leerproces is dat tijd vraagt.