Wat met de regels van de organisatie?

De leefgroepbegeleiding ontdekt dat twee vijftienjarigen uit de groep een relatie hebben met elkaar. Dit is niet toegestaan door het beleid van de voorziening, omdat veel van de geplaatste jongeren een geschiedenis hebben van (seksueel) slachtofferschap, moeilijk grenzen kunnen aanvoelen en kwetsbaar zijn om opnieuw slachtoffer te worden.

Het is belangrijk een duidelijk onderscheid te maken tussen het feitelijke gedrag van de jongeren en de inpassing binnen het geldende seksueel beleid van de voorziening.

In de reactie op het gedrag, zij het een bestraffing of andere pedagogische handeling, is het dan ook belangrijk om dit onderscheid duidelijk te benoemen: de jongeren hebben een leefgroepregel overtreden, maar hebben geen seksueel grensoverschrijdend gedrag gepleegd.

In de reactie moet het met andere woorden voor de jongeren duidelijk zijn dat het gedrag dat ze stellen oké is (groene vlag), maar dat de leefgroepregels ervoor zorgen dat de begeleiding de relatie niet zomaar kan goedkeuren.  

Wat met de ouders?

Een bezorgdheid die voorzieningen vaak hebben, gaat over de positie van de ouders: 

  • Kunnen ouders seksueel gedrag van hun kind verbieden? 
  • Moeten ouders op de hoogte gebracht worden wanneer hun kind seksueel gedrag stelt? 
  • Moeten ouders toestemming geven indien hun kind een vraag stelt naar seksualiteitsondersteuning?  

Vaak gaat het over een evenwichtsoefening tussen de gemotiveerde visie van hulpverleners enerzijds, en de seksuele waarden en normen van ouders anderzijds.

Dit valt moeilijk in regels te gieten, maar toont het belang van goede wederzijdse communicatie en afspraken. Niet alleen de jongeren, maar ook de ouders hebben recht op ondersteuning op het gebied van seksuele informatie.  

Wat met de wet?

De wetgeving is bedoeld om jongeren te beschermen tegen misbruik (door volwassenen), niet om experimenteergedrag onder jongeren te criminaliseren. Dit zorgt voor een grote grijze zone.

Enerzijds geeft die ruimte voor experimenteergedrag en maakt die het nadenken over creatieve oplossingen mogelijk.

Anderzijds zorgt ze ook voor een spanningsveld en onzekerheden bij residentiële voorzieningen die instaan voor de zorg en veiligheid van alle leefgroepjongeren.  

Het aftasten van grenzen is een normale en noodzakelijke component van de relationele en seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren. Dit hoeft niet meteen een reden tot bezorgdheid te zijn.

Toch kan er al snel een bezorgdheid ontstaan wanneer een jongere seksueel (getint) gedrag stelt dat niet duidelijk overeen lijkt te komen met de gepercipieerde sociale norm.

Het lijkt daarom waardevol om even stil te staan bij de concepten van normafwijkend seksueel gedrag en strafbaar seksueel gedrag.  

Dit laatste lijkt duidelijk. Bij strafbaar seksueel gedrag is de grens van het toelaatbare, in juridische termen, overschreden. Maar als het gaat om seksueel gedrag dat afwijkt van de norm of atypisch is, dan is dat niet het geval, maar toch lijkt het gedrag vaak “verdacht”.

Vanuit het eigen referentiekader kan atypisch seksueel gedrag immers zorgwekkend lijken, ook wanneer de seksuele gezondheid van de jongere niet duidelijk in het gedrang lijkt te zijn.

Afwijkend seksueel gedrag is pas een reden tot zorg wanneer de jongere en/of de omgeving nadelige effecten van het gedrag ondervinden.  

Lees hier meer over wat je moet doen wanneer het referentiekader van de begeleider niet matcht met dat van de cliënt.

Het juridisch kader is dus noodzakelijk, maar onvoldoende om kwalitatief met het thema seksualiteit te kunnen omgaan.

Even belangrijk is om ook deontologische en pedagogische aspecten mee te nemen in het afwegen van en nadenken over experimenteermogelijkheden en –kansen van residentiële jongeren. 

Wat met seks, een verstandelijke beperking en de wet?

De wet maakt geen onderscheid tussen jongeren met een verstandelijke beperking en jongeren zonder een beperking.

Het seksuele zelfbeschikkingsrecht of het recht op de gewenste seksualiteit ligt dus ook voor hen op zestien jaar. Hoewel het niet steeds erkend wordt, hebben (seksueel meerderjarige) jongeren met een beperking dus dezelfde seksuele rechten als andere jongeren.

Wat wel steeds in overweging moet worden genomen, is of een jongere met een beperking geldige toestemming kan geven voor seksuele handelingen.

Enkel wanneer er een bijzondere motivering kan gegeven worden, bijvoorbeeld wanneer de integriteit van een jongere in het gevaar komt door ingrijpende seksuele handelingen (“Wat kan de jongere emotioneel aan?”), kan er beslist worden om seksualiteitsbeleving te beperken.

Een dergelijk besluit hoort echter de uitzondering te blijven en kan niet genomen worden op basis van een individuele inschatting of overtuiging van een begeleider of therapeut.

Zeker bij een dergelijke ingrijpende beslissing, is het belangrijk om ondersteuning te kunnen vinden in het team, waar vanuit de algemene visie rond seksualiteit binnen de organisatie een gedragen en genuanceerde vertaling naar de specifieke jongere kan gebeuren.